Recensies

Flamenco Opera EL GRECO

(De Telegraaf dd. 17 augustus 2010 - Fleur Schiffelers)

Bladmuziek wappert in de wind, regendruppels glijden over de paraplu’s en poncho’s. Onder een donker wolkendek is de sfeer intiem, zo tussen de ruisende bomen. In het Bloemendaalse openluchttheater Caprera is dit het decor van de flamenco-opera El Greco de Toledo. Waar hemelse zuivere operastemmen samengaan met diep doorleefd flamencogeluid. Nooit eerder smolten flamenco, jazz en klassieke muziek in een opera zo moeiteloos samen. Eric Vaarzon Morel is de initiator en componist van de opera. Hij voelde zich geïnspireerd door de artistieke zoektocht van de 16e-eeuwse kunstschilder El Greco. Die rol wordt vertolkt door countertenor Maarten Engeltjes. Zijn klank is breekbaar en vol diepgang, hij doet zijn naam eer aan. Gedesillusioneerd na afwijzing door koning Filips II en geheel in zijn isolement komt El Greco in het Spaanse Toledo tot grootse kunstwerken. Toledo was een stad waar vele culturele invloeden samenkwamen; Joden en moslims lieten hun sporen na in de flamencomuziek. In de diverse scènes is deze veelheid aan flamencostijlen terug te vinden. Zo is de saeta gekleurd door religieuze klassieke muziek, en vindt de petenera haar oorsprong in de Joodse traditie. Mezzosopraan Xenia Meijer speelt El Greco’s partner, de intens bezielde Spaanse zang wordt vertolkt door flamencozanger Carlos Denia en –zangeres Ginesa Ortega. Vaarzon Morel voert de artistieke leiding en is krachtig in zijn flamencospel, zoals we van hem gewend zijn. Hij wordt geflankeerd door een strijkkwartet onder leiding van altviolist Oene van Geel. Trompettist Eric Vloeimans vult de muziek aan met gevoelige jazzy tonen. De verschillende muzieksmaken verstaan elkaar wonderwel, zonder hun eigenheid te verliezen. Gelukkig is er ook nog de spectaculaire flamencodanseres Eli la Truco. Zij weet te visualiseren wat de rest van de spelers ten gehore brengen. In de rol van El Greco’s ziel geeft zij kracht aan het spel van de solisten op het podium. Zij flirt met de trompettist, en vertolkt vol overgave de onstuimige zielenroerselen van de eenzame kunstenaar. In een reeks zomerse voorstellingen heeft de opera haar potentie bewezen. Vanaf eind september start de theatertournee waarin een modern decor vast onderdeel zal zijn van het schouwspel. Het weer zal zich dan niet meer bemoeien met de entourage, en geeft het volledige spel terug in handen van de Spaans-Nederlandse artiesten.

(Trouw d.d. 13 augustus 2010)

Eric Vaarzon Morel schreef zeer aanstekelijke muziek ...flamencozanger Carlos Denia , danseres La Truco en Ginesa Ortega vormen het zinderende hart van ‘El Greco de Toledo’ en is het feest compleet.…het fenomenale gitaarspel van Morel…. opzwepende dans van La Truco...

(De Volkskrant d.d.13 augustus 2010)

Gitarist Eric Vaarzon Morel weet ruim anderhalf uur te boeien…..een rijk klankpalet dat ook liefhebbers van lyrische jazz en kamermuziek zal aanspreken… Trompettist Eric Vloeimans, een van de veelzijdigste muzikanten uit de jazzwereld, speelt behalve enkele vlammende soli een adembenemend duet met countertenor Maarten Engeltjes. …..strijkkwartet aangevoerd door Oene van Geel, zorgt voor warmte en harmonische gelaagdheid, maar evenaart qua ritmische scherpte de razende arpeggio’s uit Vaarzon Morels flamencogitaar. Het meest virtuoze slagwerk wordt evenwel verzorgd door flamencodanseres La Truco. De naadloze roffel die ze tijdens de vijfde scene uit haar hakken en zolen stampt, grenst aan het fysiek onmogelijke ...

(Brabants Dagblad d.d. 11 augustus 2010)

De sterke solisten dragen de voorstelling….Vaarzon Morel heeft een topensemble om zich heen verzameld. …uitblinkende countertenor Maarten Engeltjes als El Greco weet met zijn wereldvreemde geluid precies de juiste toon te treffen. De bevlogen flamencozangers Carlos Denia en Ginesa Ortega vertolken El Greco’s spirituele radeloosheid met een enorme intensiteit…. Hoogtepunt is het gedeelte ‘Duisternis’ waarin het voltallige ensemble een hitsige hoogmis voor de flamenco opvoert.

MAREA

(Jazz, 2007 nr 1 - Pieter Franssen)

Flamenco zit duidelijk in de lift in Nederland. En op vele fronten. Zo waren er de soms adembenemende optredens op de massaal bezochte Flamenco Biennale en is er nu na zes jaar wachten, het prachtige, derde album Marea (getijde) van een van de grootste Nederlandse voorvechters van de flamenco, Eric Vaarzon Morel. Al eerder smolt deze leerling van de grote Paco Peña flamenco samen met jazz, latin, sufimuziek, folk en pop. Toeval wilde dat EVm bij de biennale naast mij ademloos zat te kijken naar het spel van Alfredo Lagos bij de cantaor Terremoto De Jerez. Maar op Marea laat hij met vele illustere (jazzy) gasten horen ook niet misselijk te kunnen spelen en componeren. De eerste twee nummers neemt hij, met gepassioneerde soli vol dynamiek voor zijn eigen rekening, dan komen flamenco en de klank en kleur van het subtiele trompetspel van Eric Vloeimans elkaar in Guitano in duizelingwekkend tempo tegen en met de strijkers van het Zapp String Quartet o.l.v. Oene van Geel creëert hij in Eternal, een zeer atmosferisch hoogtepunt, echt prachtige, panoramische, geïmproviseerde muziek. Net als La Mas Guapa del Mundo Entero is Eternal een zeer geslaagde herbewerking van een track op zijn eerste Sol y Sombra-album. Ook de virtuoze jazzgitarist Jesse van Ruller, quatro-bespeler Harry Sacksioni en zangeres Sinna Casita helpen onze flamencomaestro op zijn zeer geslaagde Iberische zoektocht. Vaarzon Morel heeft alle nummers gespeeld en gecomponeerd en daar zit menig juweeltje tussen. De nummers op Getijde doen de titel eer aan, zacht aanstromend als het eb in zijn composities is, vol, onstuimig en overrompelend als zijn flamencospel de (spring)vloed van de zee benadert. Kan 24 uur bij u thuis en op alle radiokanalen gedraaid worden. Wat een rijkdom!

(Heaven, mei/juni 2007- Perry Oostrum)

Een kaaskop op zes snaren. Eric Vaarzon Morel, reeds lang actief in de flamenco, heeft met Marea een zeer afwisselend album afgeleverd, door samenwerking aan te gaan met uiteenlopende muzikanten. Zo treffen we op dit album zangeres Sinna Casita, de gitaristen Jesse van Ruller en Harry Sacksioni, trompettist Eric Vloeimans en het Zapp String Quartet. Met een vleugje jazz, het gebruik van violen, fingerpicking en zelfs rapvocalen is Marea een mooi verhaal geworden, een verhaal van de laatste Moorse koning Boabdil, de dolende zigeuner, de hoogstaande Moorse cultuur en het katholieke leven dat daarop volgde. Marea is door die samenwerking met representanten uit verschillende richtingen verrassender en melodieuzer geworden dan Vaarzon Morels vorige albums. Zo wordt Jesse van Ruller de ruimte gegund vrij te improviseren op de muziek van Vaarzon Morel, wat een mooie combi van akoestisch en elektrisch oplevert, terwijl het duel trompet-gitaar met Eric Vloeimans een van de allermooiste momenten van het album oplevert. Van de bijdrage van het Zapp String Quartet kan ik me voorstellen dat niet iedereen daar wild van wordt. Eternal bijvoorbeeld ligt wel erg dicht tegen kitsch aan, al kan dit nog net. Over het geheel kan ik kort zijn: een verademing. Ongelofelijk hoe een kaaskop zoveel warmte uit zijn gitaar haalt.

(Jazzism, voorjaar 2007 - Coen de Jonghe)

Een subliem album waarin deze gitarist zijn actuele visie op de flamenco heeft neergelegd. Een rijk album ook door de gasten die hij aan deze muziek heeft gezet. Jesse van Ruller, Eric Vloeimans, Harry Sacksioni – ze spelen niet dagelijks deze oude verschoppelingenklanken, en dat maakt de uitdaging des te groter. Soms heeft Vaarzon Morel zijn gasten listig gecombineerd. Op het stuk La Más Guapa del Mundo Entero heeft hij het Zapp String Quartet én Eric Vloeimans aan het werk gezet. Dit stuk stond ook al op zijn album Sol y Sombra, maar deze uitvoering geeft er weer een heel andere draai aan. Marea (getijden) is ook een staalkaart van allerlei aspecten van de flamenco. Bijvoorbeeld het landschap dat in een aantal stukken wordt opgeroepen. In Recuerdo trekt de muziek van oost naar west, en in Fandango de Noblenza (met Vloeimans) zien we het zinderende landschap van Castilië haast visueel voor ons. Een prachtige CD.

(Gitarist, maart 2007 - MR)

Erik Vaarzon Morel kreeg als zestienjarige les van flamencogrootmeester Paco Peña. Drie jaar later vertrok hij voor enkele jaren naar Spanje om daar de flamenco helemaal in de vingers te krijgen. Inmiddels is Erik een regelmatig terugkerende verschijning op zowel de Nederlandse als internationale podia. Wie hem aan het werk hoort, kan maar nauwelijks geloven dat Erik, net als wij, aan iedere hand maar vijf vingers heeft. Dat Vaarzon Morel als flamencogitarist voor niemand onderdoet, is tot in Spanje bekend. Maar de gitarist heeft daarnaast een open oor gehouden voor gelijkgestemde muzikanten. Daarvan getuigen bijvoorbeeld de duetten op “Marea” met jazzers als Eric Vloeimans en gitarist Jesse van Ruller. Volgens Vaarzon Morel is “Marea” de muzikale verbeelding van de geschiedenis van Spanje, waarin oost en west samenkomen. Muzikaliteit en virtuositeit gaan hier op een betoverende manier samen, van het hartverscheurend mooie Recuerdo – waarmee de cd opent – en El Ultimo Suspiro tot het swingende Jesseric. “Marea” is een prachtige cd en zeker niet alleen voor liefhebbers van flamenco. Van harte aanbevolen!

(Oor, 20 maart 2007  - Dick Hovenga)

Zonder enige twijfel is Eric Vaarzon Morel onze grootste flamenco gitarist. Met groot gemak speelt hij gitaar zoals de grote Spaanse flamencohelden (bijvoorbeeld Vicente Amigo) dat deden. De uit het Spaanse Andalusië afkomstige muziekstijl heeft Vaarzon Morel zo ongelofelijk goed in de vingers dat je geen verschil hoort. Naast het feit dat hij vaak in Spanje verblijft om zijn snelheid en techniek aan het temperament van het land te toetsen, staat hij ook bekend om het inhaleren van andere muzikale stijlen. Zo speelt hij net zo gemakkelijk met muzikanten uit pop, jazz en klassiek en inspireert het spelen met muzikanten uit het Midden-Oosten hem om steeds weer nieuwe muzikale wegen te vinden. We hebben vijf jaar moeten wachten op Marea (“getijde”), het vervolg op het geweldige Sol y Sombra, maar het wachten wordt volop beloond. Marea is een enorm gevarieerd album geworden, waarbij jazz, violen, trompet, fingerpicking, rap en soul met veel gemak aan de authentieke flamenco worden toegevoegd. Gasten als Eric Vloeimans (zijn trompet vloeit perfect met de gitaar), jazzheld Jesse van Ruller, gitaarvirtuoos Harry Sacksioni (waarbij Vaarzon Morel twee jaar lang de zalen rondreisde), het Zapp String Quartet en de geweldige zangeres Sinna Casita verrijken de songs optimaal, maar het blijft Vaarzon Morel zelf die de show steelt. Absolute wereldklasse.

(Algemeen Dagblad, bijlage De Ondernemer nr 1 2007)

De wintermaanden zijn voor de virtuoze flamencogitarist Eric Vaarzon Morel het ultieme tijdstip voor het uitbrengen van een hartverwarmende CD. Na het meesterwerk Sol y Sombra uit 2002 komt Vaarzon Morel weer met een kunststukje waarin hij soms flamenco-composities subtiel combineert met de klanken van een jazzy trompet, elektrische gitaar, viool of klassieke cello. En uiteraard ontbreken niet de heerlijke en herkenbare stijlelementen als rasqueo, golpes en bulerias. Composities als Morelo, Tranquilien en het opnieuw bewerkte Las Mas Guapa del Mundo Entero ontroeren vanaf de eerste snaarinslag tot en met de llamada, ofwel de opzwepende afsluiting die Vaarzon als geen ander beheerst. Een absolute aanrader.

(Financiële Dagblad, 24 februari 2007)

Nederlands beste flamencogitarist Eric Vaarzon Morel speelde de afgelopen jaren met vele grootheden uit de klassieke muziek, jazz, pop en wereldmuziek. Op Marea gaat de ex-leerling van Paco Peña een adembenemend duel aan met trompettist Eric Vloeimans, gitaristen Jesse van Ruller en Harry Sacksioni, en violist Oene van Geel. Hun samenspel resulteert in een betoverende kruisbestuiving van flamenco, jazz, Latijns-Amerikaanse en klassieke muziek. Met name de combinatie van Vaarzon Morels authentieke flamencospel met Vloeimans weemoedige trompetklanken en Van Rullers virtuoze improvisaties is fascinerend. De inbreng van het klassiek getinte Zapp String Quartet boeit minder, maar doet nauwelijks afbreuk aan het zinderende geheel.

(NRC, 24 februari 2007 - Frans van Leeuwen)

Flamenco-gitarist Eric Vaarzon Morel (1961) is geen purist. Op Marea, zijn eerste cd sinds 2002, speelt hij met een serie gasten met wie hij al eerder op diverse podia stond. Zoals trompettist Eric Vloeimans, die voor prachtig weerwerk zorgt in ‘Fandango de Nobleza’ en het losjes gespeelde ‘Gitano’ en collega Harry Sacksioni die zich in ‘Tranquili’ laat horen op de in Zuid-Amerika populaire cuatro (gitaar). De stukken met jazzgitarist Jesse van Ruller en het strijkkwartet Zapp! bevredigen minder als gevolg van een niet ideale mix. Morels duo met Zapp!-violist Oene van Geel is echter weer helemaal raak en als zangeres Sinna Casita zich in ‘Santinera’ bij hen voegt, wordt het een intiem en prettig gestoord multi-culti-feestje. Gospel-flamenco hadden we die stijl al? De samenwerking met de laatste twee wordt door Eric Vaarzon Morel op 24/2 voortgezet in Theater Achterom in Hilversum en vervolgens t/m 21/4 op nog achttien podia in heel Nederland.

(Volkskrant, 22 februari 2007)

Bekeerlingen zijn maar al te vaak behoudender en strenger in de leer dan geboren en getogen beoefenaars van een genre. Zo niet flamencogitarist Eric Vaarzon Morel. Dat zijn wieg in Amsterdam stond, is voor hem allesbehalve een handicap. Ver weg van het centrum van de macht in Andalusië kon hij zich in alle vrijheid ontwikkelen. Naast het perfectioneren van zijn stiel is hij vooral bezig met het exploreren van nieuwe wegen voor de flamenco. Daartoe omringde hij zich voor zijn nieuwste cd met een aantal handlangers uit andere disciplines. Fraai zijn de afwisselend dromerige en jachtige bijdragen van Eric Vloeimans op trompet en de subtiele gastrol die Harry Sacksioni vervult op de Zuid-Amerikaanse quatro. Violist Oene van Geel gaat het verst in het oprekken van de regels, maar komt daarbij op een wonderlijke manier juist heel dicht bij de traditie van de rauwe flamencozag. Klein minpuntje is de net iets te wollige en ruimtelijke productie, die de helderheid van het klankbeeld met name in de stukken met het Zapp String Quartet enigszins ondermijnt.

(Plato Mania, 6 februari 2007- Jos van den Berg)

Eric Vaarzon Morel is al jaren de beste flamencogitarist van Nederland. Zijn nieuwe CD Marea staat weer boordevol virtuoos gespeelde flamenco. Maar Vaarzon Morel verkent de grenzen van de flamenco, en laat zich daarin bijstaan door een keur aan muzikale gasten. Wat opvalt is dat de CD hierdoor niet ontspoort, maar dat de gasten een effectieve bijdrage leveren die dit tot een bijzondere plaat maken. Prachtige bijdragen van trompettist Eric Vloeimans, met wie Vaarzon Morel al eens Sketches of Spain op de planken bracht, violist Oene van Geel, collegagitaristen Jesse van Ruller en Harry Sacksioni en het Zapp String Quartet. Momenteel toert Vaarzon Morel samen met Oene van Geel en zangeres Sinna Casita door Nederland.

(Dagblad van het Noorden, 26 januari 2007- Illand Pietersma)

Morel kreeg op zijn zestiende les van Paco Peña, raakte begeesterd door de flamencogitaar en ontwikkelde zijn eigen weg naar mengvormen met klassiek, jazz en pop. Marea is daar een weerslag van. In enkele solostukken en met violist Oene van Geel haalt hij knap de Arabische onderlagen in de flamenco boven. Samen met Jesse van Ruller laat hij jazz versmelten met flamenco. In twee duetten met trompettist Eric Vloeimans klinkt pure improvisatie. Echt duizelingwekkend is Eternal waarin Vaarzon Morel wordt opgejaagd door een zinderend Zapp String Quartet. Helaas wordt niet altijd even gearticuleerd gespeeld en loopt het sterk afwijkende slotstuk rond soulzangeres Sinna Casita langzaam leeg.

(Het Parool, 30 januari 2007 - Saskia Törnqvist)

Het eerste nummer van deze cd kan je maar één conclusie laten trekken: Eric Vaarzon Morel is een groot flamencogitarist. Met slechts een paar openingsarpeggio's onthult hij een zinderende klankwereld die je meteen in de ban houdt. 
Recuerdo doopte hij dit stuk, 'herinnering'. Een herinnering aan een ver verleden, toen oost en west de onafgebroken horizon vormden van het Iberisch Schiereiland. Ook in zijn solo's El Pájaro Negro en El Último Suspiro laat Vaarzon Morel het moors-christelijke Andalusië van weleer opleven. Zo schetst hij in fragiele klanken het verhaal van de laatste Moorse koning Boabdil die verdreven werd door de katholieke vorsten. Erg moeilijk om je ogen daarbij droog te houden.In overige nummers zoekt Vaarzon Morel samen met verschillende kompanen het avontuur in de grillige geschiedenis van de flamenco. Met trompettist Eric Vloeimans (wat een omfloerste prachtklank!) doolt hij door het niemandsland tussen flamenco en jazz. In Jesse van Ruller vindt hij een verwante geest die zijn elektrische gitaar kan laten zingen. Minder overtuigend is de klassiek getinte bijdrage van het Zapp String Quartet in het nummer Eternal, waarin schaamteloze kitsch hoogtij viert.

Orfeo

(De Volkskrant, 26 juni 2006 - Bart Deuss)

Orfeo van Monteverdi door Xynix Opera, regie Joke Hoolboom, muzikale leiding Niek Idelenburg. Met Carthago Barok Consort, koor PA'dam en Eric Vaarzon Morel.
Xynix Opera brengt na de vorige, zeer geslaagde buitenopera, een ambitieus vervolg: Orfeo van Monteverdi in een ingrijpend geactualiseerde interpretatie. Met een betonmortelcentrale in Amersfoort als decor, omringd door metershoge bergen zand en grind, waar tussendoor zo af en toe een kraan laveert. Onder de gewijde klanken van Monterverdi scheppen in felrode overalls gehulde gevangenen kruiwagens vol zand, om die enkele meters verderop weer leeg te kieperen. Guantánamo Bay als onderwereld. Orfeo gewapend met een fototoestel. De zand scheppende gevangenen roepen de associatie op met traag verlopende tijd, als in een zandloper. Die traagheid, de ingetogenheid van Monteverdi, vormt de grote uitdaging die Xynix Opera zichzelf hier stelt. Beheerste groepschoreografieën (Annabelle Lopez Ochoa) stileren de tredmolen van het werkkamp. De gevangenen staan onder strenge controle van bewakers - koorleden in strak pak, met veiligheidshelmen op. Ondertussen vermaken Orfeo en zijn bruid Euridice zich op een jacht dat aanmeert aan de kade. Onwetend van de nabijheid van het wrede strafkamp. De actualisering en de intense tragiek van Monteverdi's werk zitten elkaar in deze enscenering regelmatig in de weg. Euridice die als moslima gevangen wordt genomen; de onderwereld in de gestalte van een onherbergzaam werkkamp. Plutone als meedogenloze opzichter van het kamp, waarover Orfeo als hij terug wil naar de levende wereld, niets mag vertellen. Orfeo wil en kan zijn mond niet houden en verliest zo opnieuw zijn teruggevonden geliefde. Resultaat is een toeschouwer in spagaat: mag hij mee met de prachtige klanken van Monteverdi of moet hij de interpretatie proberen te volgen? De wrede praktijken van het kamp maken sporadisch indruk (Euridice die van haar jurk ontdaan onder de douche wordt gesmeten). Maar de dreiging ervan komt onvoldoende van de grond. Je blijft aankijken tegen een indrukwekkend decor en het heldhaftige feit dat de zanger die Plutone vertolkt boven op zo'n hoge kraan met de armen wijd staat te zingen. Blijft overeind dat het Xynix Opera opnieuw lukt om een ingetogen werk als dat van Monteverdi in de openlucht krachtig en toch intiem te laten klinken. Terwijl de toegevoegde partijen van flamenco-gitarist Eric Vaarzon Morel klinken als door Monteverdi zelf bedacht.

Erotisch en groovend spel door muzikale sandwich

(Het Parool, 21 april 2006 - Maartje den Breejen)

Als Dianne Reeves met de tred van een vorstin en een brede lach op haar gezicht de beroemde trap van het Concertgebouw afdaalt, is de toon al gezet: dit wordt een fijne avond. Als zij begint te zingen, dan is de avond al niet meer in wording, dan is er puur geluk. Want elke noot die Reeves schept en vindt, is vervuld van een diepe toegewijde, hartstochtelijke en onvoorwaardelijke liefde voor muziek, die ze met elk individu in de zaal wil delen. Het podium was voor de pauze al opgewarmd door Eric Vaarzon Morel, de flamencogitarist, die met zijn rechterhand het geluid van een kudde dravende paarden uit zijn klankkast kan halen, en met zijn linkerhand - tegelijkertijd - een denkbeeldig lenteblaadje aan de boom kan laten ritselen. Voor de Amerikaan Russell Malone en de Braziliaan Romero Lubambo, die Reeves begeleidden, op respectievelijk een blues- en een semi-akoestische gitaar, was het onmogelijk boven de verbluffende techniek van Vaarzon Morel uit te komen, maar daar was het hen ook niet om te doen. Reeves liet zich, zoals ze zei, 'muzikaal sandwichen' door de twee mannen aan weerszijden. Wat u zegt, het trio bracht een erotisch, groovend, en bijzonder rijk spel ten gehore. De muzikale mens werd in de gehele breedte en volheid bedeeld. Reeves gromde de blues, en haalde in haar sprankelend ritmische vertolking van Carole Kings You've got a friend uit als een gospelzangeres. Ze begon een lied met laag geneurie als in een gebed, en klom dan weer speels naar een punt in haar bereik, waar sommigen onder ons hoogtevrees zouden krijgen. Met haar versie van het lied der bedrogenen Who is he van Bill Withers viel niet te sollen. En de bijna 50-jarige zangeres uit Denver zong met evenveel genot One for my baby van haar nieuwe cd Good night, and good luck. Voor die cd, de soundtrack van de gelijknamige film van George Clooney, waarin ze ook speelt, kreeg ze een Grammy. Reeves had het niet over die toch niet geringe trofee, liever zwijmelde ze wat na over haar samenwerking met Clooney: "Hij is intelligent, grappig, serieus, schattig, en oh ja, he is hot!" Zingend nam Dianne Reeves afscheid van haar publiek. Ze besteeg de trap, nu dromerig en zwierig als een verliefde, en met elke tree stierf haar stem een beetje verder weg. Het Concertgebouw was een warm bad.

Eric Vaarzon Morel betovert met eigen flamencowereld

(De Stentor, 13 maart 2006 - Hans Invernizzi)

 Geen nog levende ziel heeft de laatste Moorse koning Boabdil rond zien lopen in zijn paleis in Granada, zijn blik geheven naar de Sierra Nevada, de altijd witte Spaanse bergketen. Als Eric Vaarzon Morel, de onbetwiste grootmeester op de flamencogitaar, Sol y Sombra speelt, is het alsof hij een stukje film, opgenomen in 1492, afdraait.

Het beeld van de zwarte overheerser met zijn majesteitelijke grandeur vormt zich haarscherp op het netvlies van je geestesoog. Zo vergaat het de luisteraar keer op keer. Je ziet grootgrondbezitters trots ronddraven op magnifieke paarden, hun prachtige eega's achterop. Je voelt je gast op een zigeunerbruiloft, waar drie dagen ononderbroken wordt gemusiceerd, gedanst, gedronken en gefeest. Je ondergaat de melancholie, de soleá, die zo eigen is aan de Spaanse landsaard. Je hoort, ook al opereert Vaarzon Morel dit maal solo, Indiase raga-percussie klinken. Je verwacht elk moment dansers en danseressen op het toneel, die op het 12-tellige ritme van de flamenco met hun laarzen en hoge hakken stampen en in gezang uitbarsten. En toch zit er maar één vriendelijke, bescheiden meneer op het podiumpje van Bouwkunde, die een mini-microfoontje in zijn handgebouwde gitaar hangt (perfect geluid!) en het verder volledig moet hebben van zijn instrumentbeheersing, inlevingsvermogen en gepassioneerdheid. Vaarzon Morel (1961) bezit het unieke vermogen ver voorbij zijn techniek te reiken en nieuwe muzikale werelden te scheppen. Op een enkele uitzondering na vertolkt hij eigen composities. Dat moet je toch maar durven. In de bakermat van de flamenco, waar Eric veel vertoeft, oogst hij grote waardering voor zijn vernieuwing van het genre. Volkomen terecht. Hij kan zich met gemak meten met de wereldtop. Maar daarover opsnijden is het laatste dat deze gitarist zou doen. Al zijn handelen staat ten dienst van de muziek, het laten klinken van - zo lijkt het wel - honderden snaren. Zacht beroerd, snerpend gegeseld, strak ritmisch in het gelid gehouden of met talloze boventonen en flageoletten vrij gelaten. Als verteller is Vaarzon Morel zeer onderhoudend. Met als resultaat een betoverd publiek dat zich doodstil en vol aandacht laat meevoeren in Eric's persoonlijke historia flamenca.

Muziek Vaarzon Morel zou altijd moeten doorgaan

(Leidsche Courant, 8 december 2005 - Maarten Baanders)

 'Kleine geschiedenis van de Andalusische flamenco'. Met deze woorden wordt het programma 'Solo Flamenco!' van gitarist Eric Vaarzon Morel aangekondigd. "Maar het is wel mijn geschiedenis", legt hij uit. "Het verhaal van Spanje zoals ík het heb meegemaakt." Het lijkt of hij met deze nuancering de verwachtingen wil temperen, maar als er iets duidelijk wordt tijdens zijn optreden is het: hoe persoonlijker een geschiedenis, hoe rijker! Vaarzon Morel vertelt prachtig over de gewoonte van Spaanse mannen om op het hoogtepunt van een bruiloftsfeest (als het bruidspaar zich al heeft teruggetrokken) hun bloezen kapot te scheuren; over de Indiase Raga, waarvan de zigeuners eeuwen geleden elementen op de Spaanse muziek overgebracht hebben; over Boabdil, de laatste islamitische vorst van Spanje, die in 1492 werd verdreven; over Federico García Lorca, wiens gedicht 'De Grot' allerlei kleuren beschrijft. In de muziek worden deze verhalen meesterlijk verklankt. De Fandango uit Granada tekent hoe de trieste koning Boabdil na zijn verdrijving door de katholieke vorsten over het bergpad van de Sierra Nevada trekt, op de vlucht naar Marokko. "Doe je ogen maar dicht", adviseert Vaarzon Morel bij dit nummer. "Roep het gevoel op dat je in Spanje bent, eeuwen geleden." Het advies werkt! De ijle flageolettonen roepen het wijde landschap op. De zachte, onnadrukkelijk gespeelde melodieën glijden weemoedig voort. De Raga, waar vroeger de Indiërs urenlang met hun waterpijp naar luisterden, blijkt de Spaanse muziektraditie verrijkt te hebben met iets meditatiefs. Bij de Allegría legt Vaarzon Morel de maatsoort uit, doet stampmotieven uit de flamencodans voor en vertelt over zijn ervaringen als begeleider van dansers en danseressen. De verhalen zijn prachtig, maar wat natuurlijk het belangrijkst is, is de muziek. En die is fabelachtig! Wat een meesterlijke techniek, wat een overvloed aan muzikale nuances! Kleine kabbelende nootjes, virtuoze melodische krullen, pittige slagen op de snaren, overrompelende climaxen: het is een puntgave stroom muziek. Het slotnummer leidt hij in door te vertellen dat men in Spanje nooit zegt: 'Dit is het laatste nummer' of 'Dit is het laatste rondje', maar altijd: 'Dit is het op één na laatste nummer' etc. Zo zou je willen dat het was, dat je naar de muziek van Vaarzon Morel luistert en het gevoel hebt dat er altijd nog een nummer na komt.

Cross-over

(Trouw, april 2005 - Armand Serpenti)

 De samenwerking tussen gitarist Eric Vaarzon Morel en trompettist Eric Vloeimans gaat twee jaar terug toen tv-presentator en muziekliefhebber Wilfried de Jong ze vroeg samen iets te spelen in zijn programma. Slechts vijf minuten oefenen bleken genoeg voor de twee open karakters om elkaar al improviserend te vinden en niet meer kwijt te raken. Vaarzon Morel groeide via Paco Peña en later Paco de Lucía uit van vertolker van de klassieke flamenco tot adept van de moderne variant en schroomt niet de rijkdom aan invloeden in het genre (van Arabisch, Zuid-Amerikaans tot jazz) improvisatorisch uit te lichten. Voor Vloeimans is jazz meer dan de Amerikaanse traditie; met een ongekend brede expressie is hij in staat talloze mengvormen oorspronkelijk en ongekunsteld voor het voetlicht te brengen. De gitarist wilde al langer iets te doen met een strijkkwartet, zocht vier klassiek geschoolde strijkers bij elkaar en bedacht samen met de trompettist 'Miles of Sketches of Spain', een programma met sfeerimpressies van Spanje, gearrangeerd door Martin Fondse en Onno Krijn. Al snel bleek het improvisatorisch minder onderlegde kwartet een zwakke schakel in de snelle gedachtesprongen en vlijmscherpe reacties van Vaarzon Morel en Vloeimans en werd het vervangen door het uiterst flexibele Zapp Strijkkwartet. Het eerste concert in deze bezetting vond afgelopen zomer plaats tijdens 'Jazz op het dak'; de vonken vlogen er vanaf. Het duurde tot dit voorjaar alvorens het zestal weer op de podia te zien was. En de voorstelling is er alleen maar passioneler, zwieriger en dramatischer op geworden. De strijkers doen meer dan simpelweg wat harmonieën neerzetten en mengen zich met een superalerte timing in de melodieën, intelligente maatvoering en vooral ook in de percussieve passages. De snelle snarenroffels op de flamencogitaar beantwoorden en onderstrepen ze met pizzicato's en getokkeld vioolspel,waarbij altviolist Oene van Geel zich bedreven toont op de cajón, de flamencokist waaruit hij met zijn handen snaredrumgeluiden en diepe basdreunen beukt. Schitterend ook hoe Vloeimans met valse lucht een klank zo hees als een Turkse ney (rietfluit) uit zijn trompet weet te halen en met een techniek van circulaire ademhaling de razendsnelle riedels in het gitaarspel kan beantwoorden. Laat je niet misleiden door de titel die doet denken aan het album 'Sketches of Spain' van Miles Davis. Afgezien van de deelname van een toptrompettist en de vertolking van het tweede deel van Rodrigo's Concerto d'Aranjuez (een superbe rol van Vaarzon Morel in dit weerbarstige stuk) zijn er nauwelijks aanknopingspunten met Miles. De klankschilders maken hun eigen schetsen: een vleugje jazz, een veegje flamenco, moorse invloeden en zelfs tango. Veel donkere tonen ('tonos negros') en een boventoonspectrum dat een heel eigen leven gaat leiden in de fantasie van de luisteraar. En dat allemaal zonder effectapparatuur; akoestisch en eerlijk.

Bloedstollend ...

(BN / de Stem, 22 september 2003 - Rob Musters)

BREDA - (…) Bij de hoofdact Eric Vloeimans, Eric Vaarzon Morel en het Grecokwartet zat iedereen op het puntje van zijn stoel. Twee bloedstollend mooie solo's van meestergitarist Eric Vaarzon Morel en trompettist Eric Vloeimans dwongen een eerbiedige stilte af. Vaarzon Morel beschikt als klassiek flamencogitarist over een ijzersterk ritmegevoel dat hij bovendien onnavolgbaar snel en vol ingehouden emotie op laat klinken. Tel daar de virtuoze solo's van Vloeimans en het technisch perfect spelende Greco kwartet bij op en je hebt een topformatie die een beetje muziekliefhebber niet mag missen.

De CD Sol y Sombra

(De Volkskrant, 28 maart 2002 - Ton Maas)

 Jarenlang verbleef Eric Vaarzon Morel in Spanje om er de kunst af te kijken van zijn helden op de flamencogitaar. Die periode heeft hij nu definitief afgesloten met een meesterproef. Sol y sombra is nog wel flamenco, maar dan in de opvatting van Vaarzon Morel, minder streng en afgemeten dan die van veel Spaanse vertolkers met hun kortaangebonden toon en hanerig misbaar. Tegenover de hardrockdivisie van de wereldmuziek plaatst Vaarzon Morel een melodieuze en lyrische spelopvatting waarin zelfs de heftigste passages nooit ontsporen. De fabelachtige instrument beheersing die dat mogelijk maakt, blijft steeds impliciet - aan koketterie heeft de Amsterdamse meester geen behoefte. Als componist onderscheidt Eric vaarzon Morel zich door zijn brede muzikale blikveld. Hij voelt zich verwant met de 'flamenco nuevo' van de groep Ketama, die in 1986 wereldmuziekgeschiedenis schreef door samen met de Malinese koraspeler Toumani Diabeté en jazzbassist Danny Thompson het album Songhai te maken - tot op de dag van vandaag een ijkpunt voor interculturele fusions. Op Sol y sombra gaat Vaarzon Morel niet zo ver, maar hij laat zich wel begeleiden door percussionisten uit andere tradities, zoals drummer Lucas van Merwijk met zijn Latijns-Amerikaanse achtergrond en Antal Steixner, die de udu (kleipot) bespeelt. Een minpuntje is de iets te ruimtelijke productie van de cd.

Gitarist Vaarzon Morel laat duizend snaren zingen

(De Volkskrant, 4 maart 2002 - Ton Maas)

Dat je voor flamenco niet in de wieg gelegd hoeft te zijn, bewees Eric Vaarzon Morel al eerder. Als gitarist is hij misschien minder uitgelaten dan sommige Spaanse collega's, maar dat wordt ruimschoots gecompenseerd door zijn vloeiende en lyrische spel met fraai gedoseerde dynamische contrasten. Bovendien heeft de afstand tussen zijn Amsterdamse wieg en de bakermat van de flamenco hem een zekere distantie verschaft waardoor hij zich vrijer tot de traditie verhoudt. Met zijn nieuwe project 1001 Snaren gaat Vaarzon Morel nog een stap verder. Bonter kon het gezelschap waarmee hij zaterdagavond aantrad op het Utrechtse Sju-podium, nauwelijks zijn. De combinatie van flamenco met de muziek van de griots uit het stroomgebied van de Gambia in West-Afrika, met jazz als smeermiddel, werd al eerder met succes gerealiseerd in het zogenoemde Songhai-project. Vaarzon Morel voegde daaraan cymbaalvirtuoos Marius Preda uit Roemenië toe. Nadat de instrumentalisten zich hadden gepresenteerd met een soort estafette van korte soli, vertilde het gelegenheidsensemble zich al meteen aan het titelstuk van Vaarzon Morels nieuwe cd Sol y Sombra. Het samenspel was te weinig afwisselend en smeekte om de hand van een vaardig arrangeur. Bovendien zaten die snaren elkaar danig in de weg. De gitaristen Vaarzon Morel en jazzgitarist Jan Kuiper verdronken samen met de kora van Karamo Kuyateh uit Gambia in de galmende klankgolven uit het cymbaal van Preda. Achteraf bezien was die zwakke start een geschenk, want mede daardoor kon zich voor de ogen van het publiek een klein wonder voltrekken. Dankzij gedegen vakmanschap, veel ervaring met muzikale grensverkenning en een ontwapenende openheid voor elkaars bijdragen wisten de vijf muzikanten – voor wie deze ontmoeting in enkele gevallen de allereerste was – hun gezamenlijke optreden tot een doorslaand succes te maken. Na de pauze waren ook de laatste hindernisjes uit de weg geruimd en konden enkele spontane kreten van slagwerker Mousse Pathe M'baye uit Senegal uitmonden in een speels en avontuurlijk duel met gitarist Kuiper. Daarna steeg de groep tot grote hoogte, waarbij de rollen voortdurend werden omgedraaid: ontregelende jazz-akkoorden uit de cymbaal, flamencobreaks uit de kora en Afrikaans getwinkel uit de gitaren.

In concert ...

(Radio 4FM, 3 maart 2002 - NPS)

"Vanavond de opname die we maakten op 1-3-2002 in de Stadsschouwburg in Gouda van het optreden van gitarist Eric Vaarzon Morel. Vaarzon Morel wordt beschouwd als de beste flamencogitarist in Nederland. Niet alleen van Nederlanders, ook in Spanje krijgt hij veel waardering. Het concert vond plaats in het kader van de tournee die hij organiseerde om zijn nieuwe cd te presenteren. Hiervoor nodigde hij ook een aantal Spaanse gastmusici uit ( o.a. voor zang en percussie). Aansluitend in een heel programma dat gewijd is aan de flamenco. Eric Vaarzon Morel zal hierin te gast zijn. Eén van de thema’s van de uitzending is de stad Sevilla, waar Vaarzon Morel zeven jaar woonde. De Zuid Spaanse stad Sevilla wordt bijzonder belicht aan de hand van La Carboneria: het enige onafhankelijke café-theater in heel Sevilla en podium voor de zeldzame echt goede flamenco. La Carboneria staat onder leiding van eigenaar en mecenas Paco Lira, een ware getuige van de laatste zestig jaar geschiedenis van het gebied; zijn leven staat in het teken van het leed van de zigeuners, de verschrikkingen van de Spaanse burgeroorlog, de onderdrukkingdoor Franco en de schaduwzijde van de Spaanse democratie. Zijn meningen worden dan ook nog al eens vermeden, maar desondanks kent iedereen in Andalusië hem. Flamencogitarist Eric Vaarzon Morel woonde zeven jaar lang boven de Carbonería. Programmamaker Gustavo Pazos is vorig jaar september zelf in Sevilla geweest en heeft er veel muziek opgenomen. Hij voerde gesprekken met Paco Lira in de patio van La Carboneria. Ook Hans Mantel blijkt een ervaringsdeskundige van Sevilla. Paco Lira, La Carboneria, Flamenco Gitano, kortom: Sevilla-impressies".

Traditie en ...

(NRC Handelsblad, 2 maart 2002 - Frans van Leeuwen)

Traditie en moderniteit zijn voor gitarist Eric Vaarzon Morel geen zaken die per se botsen. Sinds hij op zijn zestiende de Spaanse meester Paco Peña ontmoette, wijdt hij zich even enthousiast aan de klassieke flamenco als aan fusions met latin en jazz. Op Sol y sombra, zijn eerste cd sinds Flamenco de hoy uit ’92, staan drie korte stukken waarin hij de cante jondo (diepe zang) van YeYe de Cádiz begeleidt, ruig en direct, zoals het hoort. In de rest van het repertoire zet Vaarzon zonder gêne zichzelf in de zon. En terecht, want met name het bespiegelende Chimenea en het lange veelkleurige titelstuk zijn soulfood voor elke gitarofiel. Het enige smetje op deze cd zijn de gesampelde palmas(handklap-)partijen die sommige stukken iets mechanisch geven. Lekkerder klinken de levende beats, bijvoorbeeld de timbales van Lucas van Merwijk in het energieke Inmoral.
Wie gitarist Eric Vaarzon Morel wil zien spelen, kan dat vanavond op het SJU-jazz podium in Utrecht of de komende dagen in Amersfoort, Eindhoven of Leeuwarden.

Sol y Sombra ...

(De VPRO gids, 1 maart 2002 - Plato Mania)

Hij is nog maar net de veertig gepasseerd, maar zit al bijna vijfentwintig jaar in het vak. Eric Vaarzon Morel is zonder twijfel de grootste flamencogitarist die ons land ooit gekend heeft. Kreeg op zijn zestiende reeds les van de wereldberoemde Paco Peña, trok vervolgens naar Spanje en toerde met de Zwitserse groep 'Flamencos en route"enkele jaren door Europa. In 1992 bracht hij voor het eerst een cd uit op het Lucho-label: Flamenco de hoy. Inmiddels is hij hoofdvakdocent flamencogitaar aan het Sweelinck conservatorium, toert hij regelmatig met de groep Flairck en samen met andere Hollandse gitaarmeesters onder de noemer Five Great Guitars (Jan Akkerman, Leonardo Amuedo, Harry Sacksioni, Jan Kuiper). Sol y Sombra is dus pas zijn tweede album en hij laat hier horen over een dusdanige perfectie te beschikken dat je je afvraagt of een derde plaat nog wel zin heeft ( wie weet in 2012). Ondanks zijn magistrale techniek brengt hij ook de diepere gevoelens van flamenco aan de oppervlakte en wat dat betreft zal Paco Peña trots op hem kunnen zijn.

Op zoek naar een ‘alma’

(HP De Tijd, 27 oktober 1995 - Henk Romijn Meijer)

Hoe krijgt een Nederlander het in zijn hoofd om flamencogitarist te worden en hoe krijgt hij die muziek in zijn vingers? Het taaie doorzettingsvermogen van Eric Vaarzon Morel.
Anderhalf uur voor de voorstelling hingen ze wat rond achter de schermen van het theater, rookten sigaretten, dronken bier uit het flesje, zochten elkaar op in hun kamers en braken opeens uit in dansen en zingen. Terwijl uit een aangrenzende kamer een mitraillade van knallende hakken opklonk, liep Joaquin Heredia Nuñez de kamer binnen waar Eric en Ricardo zaten, luid zingend dat hij een pakje sigaretten wilde hebben. En Eric zei tegen me: “Loop je even mee?” We gingen sigaretten halen bij Vollebregt, het jazzcafé aan de overkant, want de zanger wist niet hoe je om sigaretten moet vragen, kon de machine niet gebruiken, wist wat een gulden is, enzovoort. Toen we terugkwamen, stelde Cora dansend het toneel op de proef en zaten de vier Spaanse gasten klappend achter de coulissen te zingen rondom een tafel. En Joaquin grijnsde tevreden naar de sigaretten.
Eric liep nog eens het toneel op van de zaal die hij niet kende.” ’t Is net een crematorium,” zei hij van al die sombere lege stoelen. De sound-check was op slag rampzalig. Het Singer Theater bleek geen versterkingsinstallatie te hebben en de eigen versterker van het gezelschap is alleen op zang berekend en heeft onvoldoende vermogen. Toch waren ze, bij alle tegenslag, na vijf minuten uitbundig op dreef. Bloed kruipt nu eenmaal toch waar het niet gaan kan.
" De gitaar klinkt zo wel een beetje iel, “ zei Eric in de kleedkamer waar Ricardo hoorde dat Erics schoonouders in de zaal zouden zijn. “Dan ga ik me scheren.“
Terwijl Ricardo en Eric zich stonden te scheren, was het zingen en hielengeknal van de jeugdige dansers niet meer van de lucht; de mannenstemmen wisselden elkaar af en zo nu en dan nam de stem van ‘La Polvorilla’  het schel en onverdroten vals van ze over en zo was het concert eigenlijk al op gang lang voordat het was begonnen. “Zo is het lang niet altijd,” zei Eric, vijf minuten voor het begin. Zo uitzonderlijk bezield als het die avond bleef toegaan en ook de kleine ramp voor het einde was niet iets dat altijd gebeurde. De prachtige, rasechte flamencozanger Joaquin Nuñez liet zijn aanvurende kreet nog klinken op het moment dat danseres Cora stilte verwachtte. Ze wierp hem even een ontstemde blik toe, en hoewel ze bijna meteen haar excuus aanbood, ontstak Joaquin in razernij en weigerde hij om op het toneel terug te gaan voor een open doek. Zodoende vertoonde het hele gezelschap zich niet meer. En Erics verzoenende woorden achter de coulissen maakten de zanger alleen maar kwader.
“Het zijn net kinderen,“ zei Eric van zijn gasten. “Ze zitten de hele dag te zeuren, ze roken de hele dag, ze drinken, ze maken ruzie en ze luisteren de hele dag naar flamenco – ze luisteren absoluut naar niks anders.”
Maar na afloop in de koffiekamer, toen bijna alle nablijvers verdwenen waren, begon Joaquin te klappen en te zingen alsof er niets was gebeurd; de anderen stemden in en Eric haalde haastig zijn gitaar. En zo ontstond spontaan en onstuitbaar vrolijk en hartstochtelijk een vervolg dat het concert in lengte en vurigheid verre overtrof, voor hun eigen plezier en dat van een paar theatermensen die het gebouw niet ontruimden en verder voor een paar genietende dames van de garderobe. Toen het feest om half drie was afgelopen, had Eric vanaf zeven uur bijna onafgebroken gitaar zitten spelen, zonder een spoor van vermoeidheid. “Je hebt vanavond het ergste en het beste bijgewoond,” zei Ricardo die het flamencospel voornamelijk aan Eric overlaat.
Het is alweer een poos geleden dat danseres Cora Weggeman en de Chileense gitarist Ricardo Mendeville in het gezelschap van de inmiddels 34-jarige zoon van de kunstschilder Wim Vaarzon Morel dit concert in het Singer Theater in Laren gaven. “Zoiets had ik in Nederland niet eerder meegemaakt,” zegt Eric, “en het is ook nooit meer zo gebeurd. Maar ze hadden de avond tevoren een concert moeten geven in een grote nieuwe zaal van Philips voor twaalfhonderd mensen en daarvoor was iedereen doodzenuwachtig geweest. En de volgende avond moesten ze die spanning toch kwijt.”
“Dat flamenco improviseren is eigenlijk nog vrijer dan jazz,” vertelt hij. “Het ritme en bepaalde schema’s staan wel vast, maar ik wist van tevoren absoluut niet wat ze gingen zingen. Ze kennen hun traditie en daar zijn ze constant mee bezig. Laatst zaten we in de kleedkamer en ik had een nieuw melodietje gevonden, en een van die zangers had daar meteen een prachtige tekst bij, helemaal door dat melodietje verweven.”
Hoe krijgt iemand, een Nederlander, het in zijn hoofd om flamencogitarist te worden en hoe krijgt hij die muziek in zijn vingers en in de rest van zichzelf, zijn volledige wezen?
Flamenco mag dan zijn voortgevloeid uit byzantijnse, moorse, mozarabische, joodse en nog een paar invloeden, voor Eric was het in eerste instantie de muziek en dans van zijn moeder Marijke. In de dansschool van Juan Antonio, waar zijn moeder les nam, leerde hij van de jongen die de dansers begeleidde wat flamenco spelen en soms, als die jongen er niet was, nam Eric het van hem over. Hij kreeg les van onder anderen Yvonne Krop en Jan Landkroon. Toen hij vijftien of zestien was, deed hij mee aan zo’n zomercursus van Paco Peña in Castres. “En daar mocht hij al meteen als solist optreden,” vertelt Marijke.
De Vaarzon Morels houden veel van dieren en een poosje was Eric van plan om dierenarts te worden. Maar hij zakte voor zijn eindexamen en in plaats van in woede te ontsteken, moedigden zijn ouders hem aan om zijn werkelijke verlangens te volgen. Dus nam hij een paar maanden Spaanse les bij een Spaanse avondstudente van zijn vader en vertrok hij in oktober naar Madrid waar hij het adres had van een oude vriendin van zijn vader uit Veere. Hij bleef een week of twee bij haar, vond vervolgens een goedkoop pensionnetje en ontmoette in een eethuisje een Chileen die hem vertelde van de Cava Baja waar flamencomuziek werd gespeeld.
"Een oudere en een jongere man speelden daar gitaar en twee broers zongen,” vertelt Eric. “Het waren geen grootheden, maar het was leuk. Ik had mijn gitaar bij me en ze zeiden: speel mee. Ik speelde toen al een beetje flamenco en ze zeiden: als je meer wilt leren, kom je morgen maar terug, dan speel je gewoon met ons mee en dan deel je in de fooienpot. Veel was het niet, maar mijn vader stuurde me elke maand een paar honderd gulden, ik had te eten. Ik speelde er af en toe een stukje klassiek tussendoor, Asturias en Recuerdos de la Alhambra en La Catedral van Barrios, die had ik toen al heel goed in mijn vingers. Zo heb ik drie maanden gespeeld, van een uur ’s nachts tot vijf uur ’s morgens.
“Nee, het was geen danstent, het was helemaal niks – een ruimte niet veel groter dan deze kamer in de buurt waar de hoeren woonden. Heel donker en koud, met een stenen vloer. Ze hadden een gaskacheltje naast zich staan voor als het te gek werd. Er kwamen ook niet veel mensen, maar als er drie mensen binnenkwamen, begonnen ze al te zingen. Dan kregen we vaak wat aangeboden. Voordat ik naar Spanje ging, was ik een echte sportman geweest en ik wilde altijd gewoon cola of spa, maar dat mocht niet. Zigeuners drinken altijd whisky en omdat whisky lekker duur was, moest ik dat ook drinken. Dan dronken we whisky met Fanta, anders werd het te veel. Ze kwamen ook wel binnen met van die prachtige meisjes, maar daar heb ik me nooit veel mee bemoeid. Ik was in die tijd nog wat naïef en ik was er echt alleen om gitaar te spelen. Ik zat de hele dag op mijn kamertje te studeren.
“Later ben ik door een Nederlands meisje, erg aardig, geïntroduceerd bij de dansschool Amor de Dios en daar heb ik ook een paar maanden gezeten. In die kroeg had ik de meeste dingen al behoorlijk onder de knie gekregen, in die dansschool begon je als vierde of vijfde gitarist en dan schoof je steeds verder op tot je op een gegeven moment eerste gitarist was. Daar heb ik wel heel goed die dansen leren begeleiden.”
De Nederlandse vriendin woonde in Madrid samen met de Spaanse schilder Juan Ripolles. Hij gaf Eric de raad naar Sevilla te gaan. Vanuit de tijd van de Burgeroorlog kende hij daar nog Paco Lira, eigenaar van de Carbonería, een groot café met een patio waar Lira zigeuners liet optreden.De onwaarschijnlijk gastvrije en genereuze Paco Lira verschafte Eric dadelijk bij aankomst kost en inwoning in ruil voor wat gitaarspelen. “Ik kwam daar aan,” vertelt Eric, “en ik kende de hele man niet, maar hij zei: zet je spullen meteen boven, anders worden ze gepikt. Er wordt daar ontzettend gejat. En we zaten te praten en het werd later en later en ik zei: is er hier ergens een camping in de buurt; want als ik opstap ga, heb ik altijd een tentje bij me. Hij zei: dat is veel te ver, je slaapt gewoon boven. Hij heeft een grote zolder en daar staan kasten voor de bedden en dat zijn dan kamertjes. Toen ik daar twaalf jaar geleden voor het eerst kwam, sliep hij er alleen met zijn vrouw en ik was meteen de zoon die een eindje verderop sliep.” Sindsdien is de levensfilosoof en groot kenner van flamenco een tweede vader voor Eric gebleven.
“Wat vind je van Eric?” vroegen we Paco Lira in Sevilla. Waar we Eric in 1982 al een keer opzochten. Hij zei: “Heel veel techniek, maar nog geen alma.”
Geen soul. “En dat was ook zo,” zegt Eric. “dat hebben zij me bijgebracht. Dat is ook logisch, als je daar als buitenlander komt – je hebt niet dezelfde roots.” Dat de alma hem is bijgebracht, bewijst onder andere het prachtige soleares-achtige solostuk dat Eric gemaakt heeft ter herinnering aan zijn een paar jaar geleden verongelukte broertje Dickie.
Al die tijd was Eric bezig geweest met wat in de jazz heet ‘paying one’s dues’. Terug in Nederland speelde hij op vrijdag, zaterdag en zondag in Vamos a ver, een Spaanse eetgelegenheid aan de schaduwzijde van de Govert Flinckstraat in Amsterdam, voor 225 gulden in de week. Hij had zich een indrukwekkende techniek eigen gemaakt, het vermogen om keihard te spelen en ook fluisterend zacht; hij had zich een attaque verworven van een felheid die geen reguliere opleiding een mens kan meegeven. Hij denkt met dankbaarheid terug aan wat hij op die manier heeft geleerd. “Als ik weleens zenuwachtig was voor een groot concert, dan dacht ik: ik doe gewoon net of ik in Vamos a ver voor dat aquarium van twintig mensen zit te spelen. Als het daar per ongeluk eens een avond stil was, dan kon je ook moeilijk alles zomaar misslaan, want dan zouden ze denken: wat zit daar voor een figuur?”
Omdat zijn muzikale kennis flink achterlag bij zijn speelmanschap zeiden diverse mensen: je zou eigenlijk naar het conservatorium moeten gaan. Mieke Been, vroeger zelf een heel goede zangeres, gaf hem een stoomcursus in solfège en harmonie; de Nederlandse gitaarpionier Dik Visser liet hem, met goedvinden van directeur Ton Hartsuiker, toelatingsexamen doen voor het Utrechtse conservatorium, waarbij hij voor solfège een royale onvoldoende haalde. “Ik wist helemaal niet hoe een akkoord in elkaar zat.” Hij speelde La Catedral en moest naspelen wat er achter zijn rug op een gitaar werd aangeslagen. “Ook de raarste dingen, helemaal in de hoogte.” Maar Eric had vanaf zijn veertiende platen nagespeeld en doorstond de test glansrijk.
Hij heeft in Utrecht veel geleerd, en wat niet minder belangrijk is: het conservatorium heeft hem niets ontnomen. “Dik Visser heeft nooit mijn techniek veranderd,” zegt hij. En bij de uitreiking van zijn diploma, in 1990, zei Ton Hartsuiker: “Eric Vaarzon Morel is hier als flamencogitarist gekomen en gaat hier ook weer als flamencogitarist vandaan.”
“Lezen kan ik nog steeds niet erg goed, maar ik heb wel altijd een erg goed geheugen gehad en dan hoeft het ook niet zo. Bij die studio-opnamen die ik doe, komen ze vaak met van die schema’s en die symbolen ken ik nog steeds niet, dus dan vraag ik: kun je dat even op de piano spelen? En als ik een jazzschema zie, word ik helemaal kriegel. Dat wil ik toch nog eens een keer…” Hij onderbreekt zichzelf en roept dan op een toon alsof hij het net heeft ontdekt: “Je zult verbaasd zijn wat ik niet kan!”
Eric is zo langzamerhand uitgegroeid tot Nederlands meest authentieke en veelzijdige flamencogitarist en zijn faam overschrijdt de grenzen. Zo was hij als enige buitenlander uitgenodigd om in Potsdam mee te doen aan het flamencofestival 1995 en daar speelde hij zijn soloprogramma te midden van de grootheden uit Spanje. Toch is hij zich bewust van het betrekkelijke van wat hij bereikt heeft. “Er zijn in Spanje honderden gitaristen en die zijn nog goed ook.“
Hij heeft zijn optredens, één dag in de week geeft hij bijvakles aan het conservatorium, hij heeft wat privé-lessen. En elk jaar gaat hij terug naar Sevilla, waar hij nog steeds nieuwe dingen leert. Hij wil geen geld meer hebben als hij daar optreedt. “In 1992 kreeg ik voor het eerst van mijn leven een beurs. Toen heb ik les genomen bij twee vrienden van me, die me ook zonder geld wel les hadden gegeven – een gitarist van de oude stempel en een van de nieuwe, echt een wereld-gitarist. En dan kom je thuis bij zo’n jongen, in zo’n buitenwijk waar niet eens asfalt op straat ligt, alleen blubber en de naalden van heroïnespuiten in de raamkozijnen – niet van hem, hoor, want hij is clean. Toen heb ik gezegd, nemen jullie nou die beurs maar…”